| |


Home
 |
Het oproer van Kautokeino

Een
belangrijk feit uit de recente geschiedenis van de Samen is het
oproer van Kautokeino. Het
oproer begon in de herfst van 1852. De Samen konden de onderdrukking
en vijandigheid van de kant van de overheid niet accepteren en
daardoor ontstond er oproer in Kautokeino.
De
overheid had de Samen bedrogen. O.a. sloten ze op 15 september 1852
de grenzen tussen Noord Zweden, Finland en Rusland. Deze sluiting
hadden ze doorgevoerd zonder rekening te houden met de behoeften van
de Samen en hun kijk op de zaak.
De
grenssluiting leidde er o.a. toe dat veel rendierhouders met hun
rendieren niet naar de winterweiden aan de andere kant van de grens
konden. Deze winterweiden waren belangrijk voor veel rendierhouders
in de gemeente Kautokeino en toen ze de weidegronden niet meer
mochten gebruiken, kregen ze problemen. Sommigen moesten met hun
rendierkudde naar Zweden of Finland verhuizen om te overleven.
De
bezigheden van de autoriteiten in Kautokeino waren een andere oorzaak
van het oproer. Een
koopman en een dominee verkochten illegaal zelfgestookte drank aan
mensen in de streek. Het alcoholprobleem nam toe en tegelijkertijd
kreeg men meer problemen in het dagelijkse leven. Wanneer een
vertegenwoordiger van de kerk de Samen aanzette tot drinken, verloor
men het vertrouwen in hem.
De
commandant van de Rijkspolitie in Kautokeino was een Zweed en had als
commandant in Zweden gewerkt, maar kreeg daar zijn ontslag vanwege
diefstal. Toen commandant Bucht een baan kreeg in Kautokeino, moest
de toenmalige commandant Ole Isaksen Hætta het veld ruimen.
Aan
de Zweedse kant van Lapland was dominee Læstadius begonnen met
een nieuwe tak van het christendom, die læstadianisme genoemd
werd.
De
dominee in Kautokeino, Stockfleth, was niet weg van het nieuws dat er
een nieuwe geloofsrichting was ontstaan. Velen in Lapland daarentegen
zagen graag dat Læstadius de Samische manier van denken aan het
christendom aanpaste. Alcoholgebruik was een van de dingen waar
Læstadius fel op tegen was. En als de dominee van Kautokeino
geen tegenstand bood aan het alcoholmisbruik, dan raakte het volk het
vertrouwen in de kerk kwijt.
Op
8 november 1852 vertrokken enkele Samen naar het dorp om hun tegenzin
te laten zien en begonnen daar te vechten. Op die dag werden vier
mensen gedood; de koopman, de commandant en twee Samen, een man en
een vrouw. Een man stierf tien dagen later in Alta.
Vijf
Samen werden tot de dood veroordeeld, twee werden opgehangen en acht
kregen levenslang. In totaal 33 personen werden veroordeeld. De
jongste was 14 jaar en de oudste 60. Opvallend is dat van de 33
veroordeelden er 19 vrouwen waren.
Degenen
die het door ophanging met het leven moesten bekopen waren Måns
Somby en Lars Hætta. Hun lichamen werden begraven in
Kåfjord
bij Alta en de schedels werden voor rassenonderzoek naar Oslo
gestuurd. Lars Hætta’s en Måns Somby’s schedels
werden bijna 150 jaar na het ophangen teruggestuurd naar Lapland.
Na
het oproer van Kautokeino voerde de Noorse overheid geleidelijk de
“vernoorsingspolitiek” op. De Samen moesten goede Noren
worden en
Noors spreken. Het Noors moest zowel op school als in de kerk
gesproken worden.
Bron
|
|